Vezels in kattenvoer, niet elke vezel doet hetzelfde (deel 6)

vezels in kattenvoeding

In het vorige deel hebben we gekeken naar koolhydraten. Nu komen we bij vezels. Die horen ook bij de koolhydraten, maar bij vezels is vooral belangrijk welke soort er in het voer zit. Niet iedere vezel doet namelijk hetzelfde.

Vezels worden niet, of niet volledig, in de dunne darm verteerd. Daardoor komen ze verder in het maagdarmkanaal terecht. Daar kunnen ze invloed hebben op de ontlasting, de darmpassage en de bacteriën in de dikke darm.

Op een verpakking kattenvoer zie je meestal ruwe celstof staan. Dat getal vertelt alleen niet hoeveel vezels er werkelijk in het voer zitten. Ruwe celstof bestaat vooral uit een deel van de onoplosbare vezels. Andere vezelsoorten worden met deze meting niet goed meegenomen. Alleen naar dat percentage kijken zegt dus nog weinig.

Wat wil je dan wel zien?

Bij een gewone voeding voor een gezonde kat zie ik liever niet dat er alleen een grote hoeveelheid van één goedkope vulvezel wordt gebruikt. Een combinatie van verschillende vezelbronnen is interessanter, omdat die verschillende functies kunnen hebben.

Cellulose is bijvoorbeeld een onoplosbare vezel. Deze wordt nauwelijks afgebroken door darmbacteriën en zorgt vooral voor meer volume in de ontlasting. Dat kan helpen om de darmpassage te stimuleren. Cellulose is dus niet per definitie verkeerd, maar het voedt de darmbacteriën nauwelijks. Een voeding waarin cellulose de belangrijkste vezelbron is, biedt daarom iets anders dan een voeding waarin verschillende soorten vezels worden gecombineerd.

Psyllium werkt heel anders. Het kan veel vocht opnemen en vormt daarbij een soort gel. Daardoor kan het bij harde ontlasting helpen om meer vocht in de ontlasting vast te houden. Bij bepaalde vormen van dunne ontlasting kan het juist vocht opnemen en de ontlasting meer vorm geven. Psyllium kan daarnaast de darmbeweging beïnvloeden. Wel is voldoende vocht belangrijk om psyllium goed zijn werk te laten doen.

Psyllium zie je daarom ook regelmatig terug in voedingen tegen haarballen. Bij haarbalproblemen wordt in de richtlijnen eerder psyllium gekozen dan alleen cellulose. Meer vezels kunnen ervoor zorgen dat ingeslikte haren gemakkelijker via de ontlasting worden afgevoerd.

Dan zijn er ingrediënten zoals cichorei, inuline en FOS. Deze zijn interessant omdat ze verband houden met de bacteriën in de dikke darm. Zulke vezelbronnen worden vaak juist toegevoegd om niet alleen de ontlasting, maar ook de darmomgeving te ondersteunen.

MOS kom je ook regelmatig op een ingrediëntenlijst tegen. MOS gedraagt zich weer anders. Het wordt niet op dezelfde manier gefermenteerd als veel andere vezels, maar kan zich in de darm aan bepaalde ongewenste bacteriën binden, waardoor deze gemakkelijker met de ontlasting worden afgevoerd.

En dan heb je nog bietenpulp. Ook dat is een veelgebruikte vezelbron in kattenvoer. Bietenpulp wordt juist vaak gecombineerd met andere vezels. Wanneer je bijvoorbeeld bietenpulp samen met cichorei, inuline of FOS op een etiket ziet, weet je dat de fabrikant verschillende vezelbronnen heeft gebruikt in plaats van alleen één soort. In de beoordelingsrichtlijn wordt zo’n combinatie van verschillende vezelcomponenten juist meegenomen bij de beoordeling van de vezelkwaliteit.

Daar kun je als eigenaar dus echt iets mee.

Zie je alleen cellulose hoog op de ingrediëntenlijst, dan weet je dat vooral een vezel is gebruikt die volume aan de ontlasting geeft.

Zie je psyllium, dan weet je dat er een vezel aanwezig is die veel vocht kan opnemen en invloed heeft op de structuur van de ontlasting.

Zie je daarnaast cichorei, inuline, FOS, MOS of bietenpulp, dan zijn er meerdere soorten vezels gebruikt die ieder op hun eigen manier iets kunnen bijdragen aan de darmomgeving.

Dat vind ik interessanter dan alleen een hoog percentage ruwe celstof.

Ook de hoeveelheid blijft belangrijk. Voor een gezonde kat wordt bij brok grofweg 2 tot 5% op droge stof en bij natvoer ongeveer 1 tot 5% als praktische richtlijn gebruikt. Maar meer vezels is niet automatisch beter.

Bij een te hoog vezelgehalte kan de kat meer ontlasting produceren en kan de opname van eiwit en mineralen verminderen. Rond 10% op droge stof wordt daarom als praktische bovengrens gebruikt.

En verschillende situaties vragen om verschillende vezels. Bij haarballen wordt bijvoorbeeld wat meer vezel gebruikt en heeft psyllium de voorkeur boven alleen cellulose. Bij diarree kan juist een combinatie van oplosbare en onoplosbare vezels interessant zijn. Bij weinig ontlasting kunnen onoplosbare vezels zoals cellulose meer volume geven. En bij overgewicht kan iets meer vezel soms helpen bij de verzadiging.

Daarom bestaat er niet één vezel die altijd ‘de beste’ is.

Voor een gewone gezonde kat kijk ik liever naar een matige hoeveelheid vezels en verschillende vezelbronnen, in plaats van veel ruwe celstof uit één bron. En daarna kijk je natuurlijk naar de kat zelf.

De kattenbak vertelt namelijk veel. Mooie ontlasting is gevormd, niet keihard en niet papperig. Moet je kat vaak persen, maakt hij heel kleine droge keutels, poept hij opvallend veel of blijft de ontlasting juist steeds zacht, dan past de vezelsamenstelling mogelijk minder goed bij hem.

Draai daarom bij je volgende zak kattenvoer niet alleen naar het percentage ruwe celstof.

Kijk ook naar de ingrediënten eromheen.

Cellulose geeft vooral volume, psyllium bindt vocht, cichorei, inuline en FOS zijn interessant voor de darmomgeving en MOS heeft weer een andere functie in de darm.

Pas als je naar de soort én de hoeveelheid kijkt, zegt het woord vezels echt iets.

In deel 7 gaan we brok en natvoer naast elkaar zetten. Want behalve het grote verschil in vocht zijn er nog meer verschillen die belangrijk zijn als je kattenvoer wilt leren begrijpen.

Deel dit bericht .....

Scroll naar boven