Vet in kattenvoer, waarom is dat nodig? (deel 4)

vet uit kattenvoeding

Bij vet in kattenvoer denken veel mensen al snel aan aankomen. Toch is vet niet iets wat je zo laag mogelijk wilt hebben. Een kat heeft vet nodig voor energie, voor essentiële vetzuren, voor de opname van de vitamines A, D, E en K en voor verschillende processen in het lichaam. Vet speelt daarnaast een rol bij huid en vacht, het zenuwstelsel en de smakelijkheid van de voeding. 

Wat voor jou als eigenaar vooral belangrijk is, is dat het vetpercentage op de verpakking maar een deel van het verhaal vertelt.

Staat er bijvoorbeeld 20% ruw vet op een zak brokken, dan lijkt dat misschien veel. Een natvoer kan maar 5% vet vermelden en daardoor veel magerder lijken. Maar natvoer bevat veel meer vocht. Als dat natvoer bijvoorbeeld 80% vocht bevat, komt 5 procent vet omgerekend uit op 25% vet op droge stof. Je kunt die 5% en 20% dus niet zomaar naast elkaar zetten.

Dat is precies waarom we bij het vergelijken van voedingen kijken naar droge stof, waarbij het vocht uit de berekening wordt gehaald.

Je kunt daarnaast kijken hoeveel van de energie in het voer uit vet komt. Dat wordt uitgedrukt in ME %. ME staat voor metaboliseerbare energie.

Katten kunnen behoorlijk flexibel omgaan met de hoeveelheid vet in hun voeding. Ter vergelijking, bij een gemiddeld prooidier komt ongeveer 46% van de energie uit vet en bij een muis ongeveer 48%. Voor een gezonde gecastreerde volwassen kat houd ik ongeveer 35% ME uit vet aan als praktisch uitgangspunt.

Daarbij is er verschil tussen een minimum en een hoeveelheid die je liever in een voeding terugziet. Voor een volwassen kat ligt het minimum rond ongeveer 9% vet op droge stof. Dat minimum is bedoeld om onder andere voldoende vetzuren en vetoplosbare vitamines te kunnen leveren. Als aanbevolen minimum wordt ongeveer 20% ME uit vet 

Een voeding met minder dan ongeveer 25% vet op droge stof wordt als relatief vetarm gezien. Omgerekend kan dat rond de 45% ME uit vet uitkomen, maar dat kan per voeding verschillen. Dat komt doordat ook de hoeveelheden eiwit en koolhydraten bepalen welk deel van de totale energie uit vet afkomstig is.

Aan de andere kant willen we het vetgehalte ook niet onbeperkt laten oplopen. Omdat er bij zeer veel vet steeds minder ruimte overblijft voor voldoende eiwit. Als  bovengrens wordt 55% aangehouden, zodat er voldoende ruimte voor eiwit blijft en omdat erg vetrijke voeding bij sommige katten ook darmklachten, zoals diarree, kan geven. 

Dat betekent niet dat iedere kat precies 35% uit vet moet krijgen. Leeftijd, gewicht, activiteit, lichaamsconditie en eventuele gezondheidsproblemen spelen allemaal mee. Een kat die moet afvallen vraagt bijvoorbeeld om een andere afweging dan een jonge kat met een hoge energiebehoefte.

Naast de hoeveelheid kijk ik ook graag naar waar het vet vandaan komt.

Op een etiket zie ik liever kippenvet, haringolie of visolie staan dan alleen dierlijk vet. Bij dierlijk vet weet je namelijk niet precies van welk dier het afkomstig is. Een duidelijk benoemde vetbron geeft je als eigenaar veel meer informatie over wat er daadwerkelijk in het voer zit.

En dan zijn er de omega vetzuren. Zowel omega 6 als omega 3 horen in de voeding van een kat thuis. Katten hebben bijvoorbeeld arachidonzuur nodig, een omega 6 vetzuur dat zij niet voldoende zelf kunnen aanmaken en dus uit hun voeding moeten halen. 

Bij omega 3 is vooral de vorm belangrijk. Plantaardige bronnen, zoals lijnzaad of lijnzaadolie, leveren voornamelijk ALA. Dat moet in het lichaam eerst worden omgezet naar EPA en DHA. Katten kunnen die omzetting maar heel beperkt uitvoeren. Daarom zie ik voor omega 3 liever een directe bron van EPA en DHA, bijvoorbeeld visolie, krillolie of algenolie. 

Dat betekent niet dat een plantaardige olie niets toevoegt. Maar wanneer op een verpakking groot omega 3 staat, is het wel interessant om te kijken waar die omega 3 daadwerkelijk vandaan komt.

Ook de bewaring speelt een rol. Omega 3 vetzuren zijn gevoelig voor onder andere zuurstof en warmte. Bij brokken waaraan visolie is toegevoegd, is een kleinere verpakking daarom vaak praktischer dan een enorme zak die maanden geopend blijft. Het advies  voor brokken tot vier weken na openen aangehouden. 

Wat kun je hier nu mee als je een verpakking kattenvoer in je handen hebt?

Kijk niet alleen naar het % ruw vet. Kijk ook naar het vochtgehalte, zodat je weet of je verschillende voedingen wel eerlijk met elkaar vergelijkt. Kijk vervolgens welke vetbron wordt genoemd en of je een goede bron van EPA en DHA terugziet.

Een hoog vetpercentage is dus niet automatisch slecht en een laag vetpercentage is niet automatisch beter. Het gaat om de hoeveelheid, de bron van het vet, de verhouding met de andere voedingsstoffen en vooral of het past bij de kat die het voer krijgt.

In deel 5 gaan we verder met koolhydraten. Die zijn extra interessant, omdat het percentage meestal helemaal niet op de verpakking staat, terwijl je het met de andere gegevens vaak wel zelf kunt berekenen.

 
 

Deel dit bericht .....

Scroll naar boven