In het vorige deel hebben we gekeken naar het etiket van kattenvoer. Daarbij zagen we dat het percentage eiwit op de verpakking maar een deel van het verhaal vertelt. Want als er bijvoorbeeld 40% ruw eiwit staat, weet je daarmee nog niet waar dat eiwit vandaan komt.
Daarvoor moeten we naar de ingrediënten kijken.
Bij kattenvoer zie ik het liefst dat dierlijke ingrediënten zo duidelijk mogelijk worden benoemd.
Staat er kip, rund, lam of haring, dan weet je in ieder geval van welk dier het ingrediënt afkomstig is. Nog duidelijker wordt het wanneer ook wordt vermeld welk deel van het dier is gebruikt, bijvoorbeeld kippenvlees, kippenhart, kippenlever of rundernier.
Dat geeft veel meer informatie dan woorden als gevogelte, dierlijke eiwitten of vlees- en dierlijke bijproducten. Staat er alleen gevogelte, dan weet je bijvoorbeeld niet of het om kip, kalkoen, eend of een combinatie daarvan gaat.
Hetzelfde geldt voor vlees- en dierlijke bijproducten. Bijproducten zijn zeker niet automatisch slechte ingrediënten. Organen zoals hart, lever en nier zijn ook dierlijke bijproducten en kunnen juist waardevolle voedingsstoffen bevatten. Maar de verzamelnaam is heel breed. Binnen de Europese regelgeving vallen onder dierlijke bijproducten bijvoorbeeld ook veren en bepaalde delen van poten en voeten. Welke dierlijke delen daadwerkelijk in een bepaald voer zijn verwerkt, kun je aan zo’n algemene omschrijving niet zien.
Dat betekent dus niet dat er automatisch veren of dergelijke in een voer zitten zodra er dierlijke bijproducten op het etiket staat. Het betekent vooral dat je het niet weet. En juist daarom zien we liever dat een fabrikant zo duidelijk mogelijk vermeldt welke dierlijke ingrediënten zijn gebruikt.
Kijk maar naar het etiket dat we in deze serie als voorbeeld gebruiken. Daar staat onder andere lamsvlees 28%, gedehydrateerde lamsproteïne 26%, haring en gedehydrateerde haringproteïne. Dat geeft al veel meer informatie. Je weet welke dieren zijn gebruikt en je ziet ook dat er zowel verse als gedehydrateerde dierlijke ingrediënten in zitten.
Vers klinkt misschien automatisch beter, maar ook daar moet je mee oppassen. Vers vlees bevat nog veel vocht. Bij een gedroogd of gedehydrateerd ingrediënt is een groot deel van dat vocht al verwijderd. Een vers vleesingrediënt dat bovenaan de lijst staat, hoeft daardoor na verwerking niet automatisch de grootste bron van eiwit in het voer te zijn.
En dan is er nog iets belangrijks, plantaardig eiwit.
Ingrediënten zoals erwteneiwit, maïsgluten, tarwegluten of soja kunnen behoorlijk wat eiwit leveren. Dat eiwit telt gewoon mee in het percentage ruw eiwit dat je op de verpakking ziet. Een brok kan dus een mooi hoog eiwitpercentage hebben, terwijl een deel van dat eiwit uit plantaardige bronnen afkomstig is. In ingrediëntenlijsten zie je zulke plantaardige eiwitbronnen regelmatig terug.
Bij kattenvoer zien we liever dat het grootste deel van het eiwit uit dierlijke bronnen komt en dat een fabrikant niet veel plantaardige eiwitconcentraten nodig heeft om het totale eiwitpercentage omhoog te krijgen.
Plantaardige ingrediënten kunnen daarnaast ook koolhydraten leveren. Denk bijvoorbeeld aan erwten, maïs, tarwe of aardappel. Dat betekent niet dat ieder plantaardig ingrediënt hetzelfde is en ook niet dat plantaardig eiwit per definitie slecht verteerbaar is. De verteerbaarheid hangt onder andere af van de grondstof en de verwerking. Maar bij een kat kijken we liever naar een voeding die in de basis duidelijk op dierlijke ingrediënten steunt.
Daarom zegt alleen het getal achter ruw eiwit mij niet genoeg.
We willen weten waar dat eiwit vandaan komt.
– Zijn de dierlijke bronnen duidelijk benoemd?
– Worden ook organen gespecificeerd?
– Zien weveel dierlijke ingrediënten terug of staan er meerdere plantaardige eiwitbronnen tussen die ook aan het totale eiwitpercentage bijdragen?
Een ingrediëntenlijst vertelt overigens nog steeds niet automatisch hoe goed de kwaliteit van een ingrediënt is. Je moet uiteindelijk naar het hele voer blijven kijken. Welke ingrediënten zijn gebruikt, hoe ziet de analyse eruit en hoe verhouden eiwit, vet en koolhydraten zich tot elkaar?
Maar als we alleen naar de dierlijke eiwitbronnen kijken, hebben we dus een duidelijke voorkeur:
liefst zo specifiek mogelijk benoemd, met herkenbare dierlijke bronnen en waar mogelijk ook de gebruikte organen vermeld.
Dan weet je als katteneigenaar tenminste beter wat er daadwerkelijk in de voerbak terechtkomt.
In deel 3 gaan we verder met eiwit zelf. Waarom heeft een kat zoveel belang bij eiwit, wat doet het lichaam ermee en hoeveel eiwit willen we eigenlijk terugzien als we een voeding op droge stof of op basis van de energie bekijken?


